MENU

Techniek Kaartlezen | Terug

Te kennen voor Teervoet: Wat is een kaart, schalen, conventionele tekens, windroos en oriënteren met kompas.
Te kennen voor 2e klas: Hoogtelijnen, coördinaten & roomer, oriënteren zonder kompas, driehoeksbepaling en declinatie. Ook moet je op een tocht 2 punten alleen kaartlezen.



Wat is een kaart? | Top

Wij werken altijd met topografische kaarten. Een kaart is een verkleinde weergave van de werkelijkheid onder een schaal. Deze wordt gemaakt aan de hand van luchtfoto's. Huizen, bossen, kerken, e.d. worden weergegeven door conventionele tekens, dit zijn symbolen op de kaart die een bepaald iets voorstelt. Zo staat voor een kapel. Verder staat de bovenkant van de kaart voor het Noorden.


Schalen | Top

Metrieke schaal

De metrieke schaal is de verhouding van de afstand in werkelijkheid tot de afstand op de kaart. De schalen die wij gebruiken zijn die van 1/20000 (oudere) of die van 1/25000 (nieuwere). Een schaal van 1/20000 betekent dus dat 1 cm op de kaart overeenkomt met 20000 cm of 200 meter in de werkelijkheid.
Zo kan je dus makkelijk afstanden berekenen. Indien je een azimuth moet doen van 5,3 cm op een kaart met schaal 1/20000, komt dit overeen met 5 x 200m=1000m + 0,3 x 200m=60m = 1060m.


Grafische schaal

Deze schaal geeft de afstanden weer zoals ze met de kaartschaal overeenkomen. Indien je dus 5,3 cm moet doen, meet je 5,3 cm af op de schaal en zie je direct met hoeveel meter dit overeenkomt. Hieronder staat ter illustratie zo een schaal. Let wel, het staat in Yards.



Conventionele tekens | Top

Zoals eerder gezegd wordt alles op de kaart gezet met behulp van conventionele tekens. Deze zijn heel belangrijk om je te kunnen oriënteren. Hier vind je de belangrijkste conventionele tekens.


Windroos | Top

Zoals je weet is de aarde verdeeld in windrichtingen. De hoofdwindrichtingen zijn Noorden (boven), Oosten (rechts), Zuiden (onder) en Westen (links). Er bestaan vele trucken om deze volgorde NOZW te onthouden: Nooit Oorlog Zonder Wapens of Nooit Opstaan Zonder Wekker.
Met een kompas kan je zien waar het Noorden en dergelijke zich bevindt. Indien je dus naar het Noorden moet gaan, kijk je daarvoor op je kompas.
Er bestaan echter ook tussenwindrichtingen: NO (rechtsboven), ZO (rechtsonder), ZW (linksonder) en NW (linksboven). Vergeet niet dat Noorden of Zuiden altijd de eerste letter moet zijn, dus ON is fout!
Ook zijn er de tussentussenwindrichtingen: NNO, ONO, OZO, ZZO, ZZW, WZW, WNW en NNW.

Je kan de windrichtingen ook indelen in graden. Zo staat het Noorden voor 0° (begin van de cirkel) of 360° (einde van de cirkel), het Oosten voor 90°, het Zuiden voor 180° en het Westen voor 270°.
De tussenwindrichtingen zijn ertussen, dus je moet telkens + 90/2 = 45° doen: NO = 0+45=45°, ZO = 90+45=135°, ...
De tussentussenwindrichtingen zijn nogmaals hiertussen, dus je moet telkens + 45/2 = 22,5° doen: NNO = 0+22,5=22,5°, ONO = 45+22,5=67,5°, ...

Hieronder staat de volledige windroos. Het is in het engels, dus de E staat voor East = Oosten en de S staat voor South = Zuiden.


Oriënteren met kompas | Top

Tijdens het lopen van een tocht moet je je vaak oriënteren om te weten waar je je bevindt. Indien je een kompas hebt, gaat dit redelijk makkelijk. Aangezien je weet dat de bovenkant van je kaart voor het Noorden staat, moet je deze met behulp van je kompas naar het Noorden richten. Zo zal alles in de werkelijkheid mooi samenvallen met de kaart: de weg waar je je op bevindt zal op dezelfde manier kronkelen als op de kaart, de bossen staan aan dezelfde kant van de weg als op kaart, enzovoort...


Oriënteren zonder kompas | Top

Ook oriënteren zonder kompas is doenbaar. Dit kan je door bepaalde dingen in de werkelijkheid te herkennen en deze op de kaart te vinden. Indien je een aantal dingen ziet die duidelijke conventionele tekens zijn, kan je makkelijk je positie vinden. Indien je bijvoorbeeld links van je een bos zit, rechts een weide, achter je een baan breder dan 7 meter en voor je een kapel, kan je met deze gegevens op de kaart zoeken waar dit overeenkomt.


Hoogtelijnen | Top

Op een kaart worden bergen en dallen aangeduid met behulp van hoogtelijnen. Een hoogtelijn is een verbindingslijn van alle punten die op dezelfde hoogte boven de zeespiegel liggen. Deze lijn is een kronkelende bruine lijn. Bij elke hoogtelijn staat een getal: deze staat voor de hoogte. Het verschil tussen 2 hoogtelijnen is meestal +- 5 meter.

Indien, zoals op de figuur, de getallen naar het midden toe stijgen, dan stelt dit een berg voor.
Omgekeerd, indien de getallen naar het midden toe dalen, dan stelt dit een dal voor.

Hoe dichter de hoogtelijnen bij elkaar staan, hoe steiler het stijgen of dalen zal zijn.
Hoogtelijnen kan je dus ook goed gebruiken om je te oriënteren: indien je op een berg staat zoek je op de kaart een berg.


Coördinaten & roomer | Top

Op de kaart zie je horizontale en vertikale lijnen. Dit is het vierkantennet. Deze lijnen stellen de hoofdcoördinaten voor.
Indien iemand je coördinaten geeft, dan is het in de vorm van 62/95//51/60. Hier zijn de hoofdcoördinaten 62 en 51. Eerst zoek je op de kaart bij de horizontale coördinaten naar 62 en dan bij de vertikale coördinaten naar 51. Deze 2 lijnen volg je tot ze samenkomen in een vakje. In dat vakje staat dan het volgende punt.


Elk vakje van de hoofdcoördinaten is dan nog eens onderverdeeld in tussencoördinaten. Deze waarden staan tussen 0 en 100. Met deze ga je de precieze lokatie van het volgende punt vinden.
Onze coördinaat was 62/95//51/60, dus de tussencoördinaten zijn 95 en 60. Eerst leg je je roomer linksonder het vakje van de hoofdcoördinaten, met zijn uiteinde aan de kruising van de 2 hoofdcoördinaatlijnen.

Vervolgens beweeg je de roomer eerst horizontaal naar rechts tot je op de roomer aan het streepje van 95 komt. Hierna beweeg je de roomer vertikaal naar boven tot je aan het streepje van 60 komt. Het uiteinde van de roomer duid dan het punt aan. Haal je stift boven en duid het punt op de kaart aan met een vlaggetje en zijn cijfer.



Driehoeksbepaling | Top

Een ingewikkeldere, maar zeer effectieve manier van plaatsbepaling is de driehoeksbepaling. Hierbij moet je van waar je staat 3 herkenbare punten zien. Dit moeten punten zijn die uniek zijn op de kaart, vb een bepaalde kerk. Indien je een kapel neemt, kan je deze op de kaart makkelijk vergissen met een andere kapel.
Nadat je 3 punten hebt, moet je bepalen op hoeveel graden ze van je staan. Haal hiervoor dus je kompas boven. Hierna moet je van elk punt hun tegenazimuth bepalen: indien het aantal graden kleiner is dan 180, tel je er 180 bij op. Indien het aantal graden groter is dan 180, trek je er 180 van af. Stel dus dat een kerk van Gent op 280° van je staat, dan is de tegenazimuth 280-180=100°.
Vervolgens trek je op de kaart van elk punt de lijn van de tegenazimuth. Indien alles perfect is uitgevoerd, komen de 3 lijnen op precies 1 punt samen. Meestal is dit niet zo, dus je kom je een driehoek uit zoals in de figuur.

Je weet dus alvast dat je je in die driehoek bevindt. Om hier dan de exacte locatie uit te vinden, moet je van elke hoek de zwaartelijn uitvoeren, dit is een lijn die door het midden van de tegenoverstaande zijde gaat. Deze 3 zwaartelijnen komen dan samen in 1 punt, zijnde jouw locatie!



Declinatie | Top

Men weet dat de aarde een gigantisch magnetisch veld heeft. Dat komt omdat de kern van de aarde voor een groot deel bestaat uit dikvloeibare gesmolten ijzerhoudende magma. Omdat die magma langzaam beweegt blijft de reusachtige magneet van de aardkern niet in dezelfde positie zitten. Zo komt het dat het magnetische Noorden (=het Noorden dat een kompas aanwijst) niet samenvalt met het cartografisch Noorden (=het Noorden van de aarde, de "bovenkant" dus).
declinatie
Je kompasnaald richt zich dus niet naar de Noordpool, maar wel naar de magnetische pool die er een eindje vandaan ligt. Die afwijking noemt men de magnetische declinatie en is die "x" op de tekening.
Op elke kaart staat er rechtsboven wat de declinatie was op die plek van een bepaald jaar. Voorbeeld staat er op de kaart "Gent-Destelbergen 22/1-2" een declinatie van 2°03' in het jaar 1999 (1°=graden=60'=minuten=60"=seconden, 1°=60x60=3600").
Aangezien elk jaar het magnetische Noorden 7' naar het Oosten draait (dichter bij het cartografisch Noorden dus), moeten we berekenen wat de declinatie van 2008 is. 2008-1999=9, dus het magnetisch Noorden is 9x7' = 63' = 1°03' verschoven. Het was 2°03', dus 2°03' - 1°03' = 1°. De magnetische declinatie is dus nu 1°.
Wat betekent dit? Als je nu een azimuth doet van 60°, moet je daar dus 1° bijtellen om juist uit te komen. Dit lijkt weinig, maar als je een lange afstand aflegt kan 1° veel verschil maken.

Top
Terug