MENU

Techniek Vuren | Terug

 

Vuur

Om een vuur te maken heb je steeds de 3 elementen van de vuurdriehoek nodig. 

  • Een brandstof, in ons geval vaak hout
  • Zuurstofgas, aanwezig in de lucht
  • Warmte als ontsteker, hiervoor gebruiken we lucifers

vuurdriehoek

Plaats

  • Op een open vlakte, niet te dicht bij het bos of struiken en niet te dicht bij andere groepen.
  • Zorg ervoor dat alle brandbare materialen voldoende ver van je vuur liggen.
  • Bepaal de windrichting (meestal westen) en zorg ervoor dat de wind je niet hindert.
  • Leg voldoende brandhout in de buurt zodat je je vuur niet alleen moet laten om hout te gaan zoeken.

 

Hout

  • Kies droog en dor hout. Alle hout dat nog buigt, omdat er nog sap in zit, brandt niet goed en geeft alleen maar rook.
  • Om je vuur aan te steken gebruik je best naaldboomhout (vermijd berkenhout).
  • Eens je vuur goed brandt, mag je dik loofboomhout (es, beuk,...) gebruiken.
  • Het is niet de vlam, maar de gloeiende kolen die warmte geven. Zorg ervoor dat de wind goed in je vuur zit. Steek je vuur aan langs de windzijde, waar je je hout kunt bereiken.
  • Ook als het geregend heeft moet je het vuur in gang krijgen. Al het sprokkelhout is dan nat. Dik hout is echter nog droog vanbinnen. Daarom kan je van de dikke takken schilfers snijden die relatief droog zijn. Gebruik deze dan om je vuur aan te steken. Eens je vuur aan is kan je het natte hout drogen naast je vuur.
  • Je moet niet altijd de grootste bomen uit het bos halen, vaak is het al voldoende om met een bassin hout te sprokkelen in het JVG-kamp. Dit hout moet je zelfs niet meer kraken, een win-winsituatie!

Ter info enkele eigenschappen van verschillende houtsoorten (dit schema moet je niet kennen):

houtsoorten

 

Veiligheidsmaatregelen

  • Verlaat nooit je vuur vooraleer je weet dat het goed gedoofd is.
  • Steek een vuur pas aan als er voldoende water in de buurt is om het te blussen. Er moet minstens één gevulde bidon naast het vuur staan.
  • Begraaf geen brandende takken en gooi geen smeulende as weg.
  • Gooi geen halve emmer ineens op je vuur, maar verdeel het water mooi over het vuur. Om ervoor te zorgen dat je vuur goed gedoofd is, steek je met een schop je vuur eens open en giet daar nog wat water op. Pas als het gestoom en gesis ophoudt is je vuur uit en mag je het begraven.
  • Bij brand verwittig je zo snel de leiding.

Je moet altijd bovenstaande voorzorgsmaatregelen nemen om ervoor te zorgen dat er geen brand ontstaat, indien er toch brand ontstaat moet je één van de drie factoren die nodig zijn voor een vuur uitschakelen:

  • De brandstof of brandbare stof verwijderen kan slechts in weinige gevallen toegepast worden.
  • Zuurstof uitschakelen kan door de brandhaard af te dekken met een laag schuim (bv. poederblusser), een branddeken of bij kleine brandhaarden met een deksel of vochtige dweil.
  • De hitte of ontvlammingstemperatuur kan je verminderen door de brandbare stof af te koelen. Meestal is het meest geschikte koelmiddel hiervoor water, al kan dat niet in alle situaties gebruikt worden (bv. bij olie).

Bij extreme droogte moet je extra waakzaam zijn bij het maken van een vuur. Bij code geel (gevaar) en code oranje (hoog gevaar) mag je nog een vuur maken, maar moet je extra voorzichtig zijn omdat er een hoger risico is op een natuurbrand. Bij code rood (acuut hoog gevaar) mag je geen vuur meer maken.

Bij extreme droogte is het veiliger om een vuur in de hoogte te maken, zo kan je voorkomen dat het vuur in de grond trekt en zo een ondergrondse brand met brandende wortels veroorzaakt. Om dit te vermijden is het ook belangrijk dat de grond onder je vuur vochtig genoeg houdt (bv. met een tuinslang). Ga enkele dagen erna de plaats waar je het vuur gemaakt hebt nakijken om zeker te zijn dat je geen bosbrand hebt veroorzaakt.

 

Het jagersvuur

  • Een jagersvuur is een greppel die we graven van ± 10 cm breed, die we verstevigen met 2 dikke balken langs de zijkanten en eventueel een balk op het einde van het vuur.
  • De greppel mag niet te diep zijn; maar je moet er wel voldoende hout in kunnen leggen. Ook de wind moet goed in het vuur kunnen spelen.
  • Leg eerst een grote droge hoop dennennaalden in de greppel met een kleine opening. Daarop leg je dan een hoop dunne droge takjes. Eens het vuur brandt gebruik je dikkere takken.
  • Leg je brandhout in het vuur niet mooi naast elkaar maar leg het geschrankt op elkaar, zo kan er meer zuurstof bij.
  • Zorg ervoor dat je iets bij de hand waarmee je je vuur kunt aanwakkeren vb. een hoed of een bord.

Top
Terug